Coloncarcinoom

Hier vindt u informatie over de achtergrond van de studie.

Coloncarcinoom

Het colorectaal carcinoom is één van de meest voorkomende kankertypes in Nederland. Jaarlijks wordt bij 13.000 mensen in Nederland de diagnose colorectaal carcinoom gesteld. Naar verwachting stijgt dit aantal de komende jaren naar 17.000 nieuwe patiënten in 2020. Aan de andere kant neemt het aantal patiënten dat een colorectaal carcinoom overleeft toe door verbeterde screenings- en behandelmogelijkheden.

Het merendeel van de colorectaal carcinomen ontstaat zonder genetische predispositie. In slechts 5 tot 10% van de tumoren is er sprake van een genetische afwijking, waarvan de bekendste Familiaire Adenomateuze Polyposis (FAP) en het Lynch Syndroom zijn. Daarnaast hebben patiënten met een chronische inflammatoire darmaandoening als Colitis Ulcerosa en de ziekte van Crohn een verhoogde kans op het krijgen van een colorectaal carcinoom.

De I CARE studie is alleen van toepassing op het ‘gewone’ coloncarcinoom. De I CARE studie richt niet op patiënten met een rectumcarcinomen, erfelijke tumoren of carcinomen als gevolg van chronische inflammatoire darmaandoeningen.

De in opzet curatieve behandeling van een coloncarcinoom bestaat uit chirurgische resectie. Soms wordt er een (tijdelijk) stoma aangelegd. Daarnaast komt een deel van de geopereerde patiënten in aanmerking voor adjuvante behandeling met chemotherapie afhankelijk van het stadium van de ziekte, leeftijd en co-morbiditeit van de patiënt.

Van de in opzet curatief behandelde patiënten ontwikkelt ongeveer 30% toch een recidief of metastase, afhankelijk van het tumorstadium bij operatie. Dat presenteert zich voornamelijk in de lever, de longen of locoregionaal in het peritoneum of de omliggende lymfeklieren. Daarnaast kan een tweede carcinoom in de darm ontstaan.

Na de behandeling blijven de meeste patiënten gedurende vijf jaar onder controle. Deze controles vinden momenteel plaats bij de medisch specialist en is erop gericht recidieven van coloncarcinoom in een vroeg stadium op te sporen. Naast controle wordt er in deze fase ook aandacht besteed aan nazorg, waarmee het ondersteunen van de patiënt op fysiek en psychosociaal vlak wordt bedoeld.